zinderend stil
trillend licht
dunne draad
geluid
bij
zinderend stil
trillend licht
dunne draad
geluid
bij
Je ziet het
als het licht
er plotseling
op valt.
Een spinnenweb.
Maar vaker niet.
Dan loop je
erdoorheen.
Zweeft in de tuin
een grote bloem
van zuiver wit
Hoog achter de perenboom
de felgele teunisbloem.
Nog open.
Het gaat regenen, zeg ik,
ik zie wolken. Kom, we
gaan naar huis.
Nee, zeg je, en wijst naar
de blauwe lucht en
de zee.
Nee, papa, son!
Een nee! met heel je lijfje.
Ik zie de wolken,
jij ziet de zon.
We blijven.
Ik zie je tussen de anderen
aan de keukentafel zitten;
je ene wenkbrauw omhoog,
een lichte frons.
Ik ken ze uit de spiegel.
Je maakt een grap
en lacht hard,
net iets te lang.
Dat ken ik van mij
en toch is het jij.
Je zegt: fair enough
but hard pass.
Een taal die ik versta
maar niet uit mijn bloed,
niet uit mijn boeken.
Ik luister.
Ik mis haar
terwijl ze tegenover me
een broodje zit te eten.
Ik mis het kleine lijfje
dat ’s ochtends in mijn bed kroop,
koude voetjes.
Wat gaan we vandaag doen, mama?
Ik mis haar op het krukje naast me,
haar vinger al in het taartbeslag
zodra ik me omdraai.
Ik mis haar.
En zij vraagt
of er nog melk is.
Zij valt achterover
van de bank,
zonder om te kijken.
Iemand zal er staan,
denkt zij niet.
Ik sta er.
Ik weet niet
sinds wanneer.